Google
Trustpilot

4.7

262 reviews

Ruim 100.000 leerlingen leren al met JoJoschool

Volg ons

Instagram
TikTok
LinkedIn
YouTube
JoJoschool

Kenmerkende aspecten geschiedenis

Geschiedenis heeft 49 kenmerkende aspecten, verdeeld over 10 tijdvakken. Hieronder staan ze allemaal op een rij. Per aspect lees je in één zin waar het over gaat en zie je welke uitlegvideo het behandelt. Zo weet je snel wat je al snapt en wat je nog even moet bekijken.

JoJoschool-vogel bij het vak geschiedenis

Tijdvak 1: Tijd van jagers en boeren (tot 3000 v.C.)

De levenswijze van jagers-verzamelaars.

Mensen trokken in kleine groepen rond en leefden van jagen, vissen en verzamelen.

Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen.

Mensen gingen gewassen verbouwen en dieren houden, en bleven daardoor op één plek wonen.

Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen.

Door voedseloverschotten ontstonden de eerste steden, zoals in Mesopotamië, met handel, ambachten, bestuur en het schrift.

Tijdvak 2: Tijd van Grieken en Romeinen (3000 v.C. tot 500 n.C.)

De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat.

Grieken zochten verklaringen zonder goden en dachten na over wie mocht meebeslissen, zoals in de democratie van Athene.

De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur.

De bouw- en beeldhouwkunst met zuilen, tempels en levensechte beelden, die later steeds terugkomt.

De groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde.

Rome veroverde een enorm gebied en bracht daar zijn taal, wetten en manier van leven: romanisering.

De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van Noordwest-Europa.

Romeinen en Germanen vochten met elkaar, maar dreven ook handel en namen dingen van elkaar over.

De ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste monotheïstische godsdiensten.

Het geloof in één God, en hoe het christendom uitgroeide tot de staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk.

Tijdvak 3: Tijd van monniken en ridders (500 tot 1000)

De verspreiding van het christendom in geheel Europa.

Missionarissen en kloosters brachten het christendom naar heel Europa, vaak met steun van koningen.

Het ontstaan en de verspreiding van de islam.

De islam ontstond rond 610 op het Arabisch schiereiland en verspreidde zich snel, van Spanje tot India.

De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid.

Na de val van Rome verdwenen veel steden. Mensen leefden op domeinen waar ze zelf alles maakten, en horigen werkten voor hun heer.

Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.

Koningen gaven land in leen aan edelen, in ruil voor trouw en militaire steun: het leenstelsel.

Geschiedenis oefenen

Of je een kenmerkend aspect echt snapt, merk je pas als je het toepast. Bij JoJoschool oefen je geschiedenis met uitlegvideo’s van een geschiedenisdocent en oefenvragen op jouw niveau. Zo zie je meteen wat je al beheerst en wat nog aandacht nodig heeft.

Tijdvak 4: Tijd van steden en staten (1000 tot 1500)

De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving.

Door landbouwoverschotten kwamen handel en ambachten op gang, en groeiden de steden weer.

De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden.

Kooplieden en ambachtslieden kregen geld en invloed, en steden kregen eigen stadsrechten.

Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de geestelijke macht het primaat behoorde te hebben.

Paus en keizer streden om wie de baas was, bijvoorbeeld in de investituurstrijd over het benoemen van bisschoppen.

De expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de vorm van de kruistochten.

Christenen trokken ten strijde om Jeruzalem en andere gebieden op moslims te veroveren.

Het begin van staatsvorming en centralisatie.

Vorsten bouwden met ambtenaren, belastingen en een eigen leger meer macht op over hun land.

Tijdvak 5: Tijd van ontdekkers en hervormers (1500 tot 1600)

Het begin van de Europese overzeese expansie.

Portugezen en Spanjaarden zochten een zeeroute naar Azië en kwamen in Amerika terecht, met grote gevolgen voor de mensen die daar woonden.

Het veranderde mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling.

Mensen gingen meer uit van eigen waarneming en van de mens zelf, in plaats van alleen van de kerk.

De hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke oudheid.

Kunstenaars en geleerden grepen terug op Griekse en Romeinse teksten, gebouwen en beelden.

De protestantse Reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had.

Luther en Calvijn hadden kritiek op de katholieke kerk, en er ontstonden protestantse kerken.

Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat.

Onvrede over het Spaanse bestuur en de vervolging van protestanten leidde tot de Opstand en de Republiek.

Tijdvak 6: Tijd van regenten en vorsten (1600 tot 1700)

Het streven van vorsten naar absolute macht.

Vorsten zoals Lodewijk XIV wilden alleen regeren, zonder inspraak van edelen of een parlement.

De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek.

De Republiek had geen koning maar regenten, en beleefde een Gouden Eeuw in handel, kunst en wetenschap.

Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.

Compagnieën als de VOC en de WIC verbonden werelddelen via handel, betaald door investeerders die op winst rekenden.

De wetenschappelijke revolutie.

Onderzoekers als Galilei en Newton gingen uit van experimenten en wiskunde, en zo ontstond een nieuw wereldbeeld.

Tijdvak 7: Tijd van pruiken en revoluties (1700 tot 1800)

Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.

Denkers van de Verlichting geloofden dat je met je verstand de samenleving kon verbeteren, met ideeën als de scheiding der machten en tolerantie.

Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme).

Sommige vorsten voerden verlichte hervormingen door, maar hielden zelf alle macht.

Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme.

Europeanen lieten tot slaaf gemaakte Afrikanen werken op plantages in Amerika, tot een beweging opkwam die de slavernij wilde afschaffen.

De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.

In Amerika, Frankrijk en de Republiek kwamen burgers in opstand voor inspraak en rechten, vastgelegd in grondwetten.

Tijdvak 8: Tijd van burgers en stoommachines (1800 tot 1900)

De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving.

Machines en fabrieken veranderden hoe mensen werkten en woonden, eerst in Groot-Brittannië.

Discussies over de ‘sociale kwestie’.

Hoe los je de armoede en de slechte werkomstandigheden van fabrieksarbeiders op?

De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie.

Industriële landen veroverden koloniën voor grondstoffen en afzetmarkten, zoals in Afrika na de Conferentie van Berlijn.

De opkomst van emancipatiebewegingen.

Arbeiders, vrouwen en religieuze groepen kwamen op voor gelijke rechten en een gelijke positie.

Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces.

Het kiesrecht werd stap voor stap uitgebreid, tot algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen.

De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.

Groepen met eigen idealen organiseerden zich in partijen en bewegingen.

Tijdvak 9: Tijd van de wereldoorlogen (1900 tot 1950)

De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie.

Radio, film en affiches werden ingezet om mensen te overtuigen en grote groepen te organiseren.

Het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaalsocialisme.

In de Sovjet-Unie, Italië en Duitsland greep één partij de macht over het hele leven van burgers.

De crisis van het wereldkapitalisme.

De beurskrach van 1929 groeide uit tot een wereldwijde economische crisis met massale werkloosheid.

Het voeren van twee wereldoorlogen.

Twee oorlogen die de hele wereld raakten: van 1914 tot 1918 en van 1939 tot 1945.

Racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op de joden.

De Jodenhaat van de nazi’s eindigde in de Holocaust, de moord op zes miljoen Joden.

De Duitse bezetting van Nederland.

Van 1940 tot 1945 bestuurden de Duitsers Nederland, met verzet, collaboratie en de Hongerwinter.

Verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering.

Bombardementen, gifgas en de atoombom maakten van gewone burgers een doelwit.

Vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme.

In koloniën als India en Indonesië groeide het nationalisme en eisten mensen zelfbestuur.

Tijdvak 10: Tijd van televisie en computer (1950 tot nu)

De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog.

De Koude Oorlog tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, van de bouw van de Berlijnse Muur tot de val ervan.

De dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse hegemonie in de wereld.

Na de Tweede Wereldoorlog werden koloniën als Indonesië onafhankelijk.

De eenwording van Europa.

Van samenwerking rond kolen en staal na de oorlog tot de Europese Unie van nu.

De toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen.

Meer geld en vrije tijd zorgden voor een eigen jongerencultuur, ontzuiling en een nieuwe golf van feminisme.

De ontwikkeling van pluriforme en multiculturele samenlevingen.

Door migratie en ontzuiling gingen mensen met verschillende achtergronden en overtuigingen samenleven.

Vogel van JoJoschool

Elk tijdvak in een paar minuten snappen

Bij JoJoschool legt een geschiedenisdocent elk tijdvak uit in korte video's, en oefen je geschiedenis met vragen op jouw niveau. Zo koppel je elk kenmerkend aspect straks zonder twijfel aan het goede voorbeeld.

Vogel van JoJoschool

Elk tijdvak in een paar minuten snappen

Bij JoJoschool legt een geschiedenisdocent elk tijdvak uit in korte video's, en oefen je geschiedenis met vragen op jouw niveau. Zo koppel je elk kenmerkend aspect straks zonder twijfel aan het goede voorbeeld.

Veelgestelde vragen over kenmerkende aspecten

Wat is een kenmerkend aspect?

Een kenmerkend aspect is een ontwikkeling die typisch is voor een tijdvak. Op je examen koppel je een gebeurtenis of bron aan het juiste aspect en leg je uit waarom die erbij past.

Hoeveel kenmerkende aspecten zijn er?

Er zijn 49 kenmerkende aspecten, verdeeld over 10 tijdvakken. Op havo en vwo leer je dezelfde 49.

Wat zijn de 10 tijdvakken van geschiedenis?

Jagers en boeren, Grieken en Romeinen, monniken en ridders, steden en staten, ontdekkers en hervormers, regenten en vorsten, pruiken en revoluties, burgers en stoommachines, de wereldoorlogen, en televisie en computer. Bovenaan deze pagina zie je per tijdvak de jaartallen.

Moet je de kenmerkende aspecten letterlijk kennen?

Je hoeft ze niet woord voor woord op te zeggen. Je moet ze wel herkennen, uitleggen en aan voorbeelden koppelen. Hoe beter je de formulering kent, hoe sneller je ziet welk aspect bij een vraag hoort.

Zijn de kenmerkende aspecten genummerd?

Officieel niet. Veel boeken en sites geven ze wel een nummer, maar die nummering verschilt. Daarom staan ze hier per tijdvak, zonder nummer.

Hoe leer je kenmerkende aspecten het makkelijkst?

Leer ze per tijdvak, koppel elk aspect aan twee of drie voorbeelden en oefen met examenvragen. Zo zie je meteen welke aspecten je al beheerst en welke nog aandacht nodig hebben.